In deze cursus maakt u kennis met een nieuwe, geïntegreerde vorm van diagnostiek voor kinderen met gedrags- en emotionele problemen. U krijgt instrumenten aangereikt om de persoonlijkheid van kinderen te diagnosticeren, in samenhang met het opvoedingsgedrag van de ouders.
Vijf basisdimensies, de Little Five, liggen ten grondslag aan de persoonlijkheidverschillen tussen kinderen: emotionele stabiliteit, extraversie, vindingrijkheid, welwillendheid en consciëntieusheid. Deze dimensies vertonen veel overeenkomsten met de Big Five voor volwassenen. De Hierarchical Personality Inventory for Children (HiPIC) meet deze vijf dimensies én achttien meer specifieke onderdelen van die dimensies. De extreme varianten van vier van de vijf ‘little five’ zijn de basis voor het beschrijven van persoonlijkheidspathologie bij kinderen en adolescenten. Hiervoor bestaat een nieuw instrument: de Dimensionele Persoonlijkheidssymptomen Vragenlijst (DIPSI).
De Schaal voor Ouderlijk Gedrag (SOG) meet twee grote dimensies van ouderlijk gedrag: positief ouderlijk gedrag en negatieve controle. De combinatie van het diagnosticeren van zowel persoonlijkheid bij het kind als opvoedingsgedrag bij de ouders levert in onderzoek naar inter- en externaliserend probleemgedrag interessante resultaten op. Zo blijken kinderen bijvoorbeeld meer externaliserend probleemgedrag te vertonen wanneer de ouders veel negatieve controle op hen uitoefenen. Dit geldt vooral voor kinderen met lage scores op welwillendheid en consciëntieusheid. In deze cursus maakt u kennis met deze methodieken en leert u er mee werken.