GITP in de media

    Onnodige uitverkoop bij Angelsaksisch aangestuurde bedrijven

    Bron: Het Financieele Dagblad

    9 oktober 2010

    Ondernemingsraden, vakbonden en raden van commissarissen binnen Angelsaksisch aangestuurde bedrijven in Nederland, werken doorgaans onvoldoende samen. Daardoor ontstaan onnodige saneringen, ontslagrondes en uitverkoop. Dat stelt Rienk Goodijk, bijzonder hoogleraar Governance aan de RUG en senior adviseur bij GITP.

    Goodijk: ‘Deze partijen onderschatten vaak hun mogelijkheden binnen het Nederlandse model en oefenen te weinig tegendruk uit. Onlangs trokken Organon in Oss en Solvay in Weesp  de aandacht. Beide bedrijven maken sinds kort deel uit van een Amerikaanse moeder, te weten Merck respectievelijk Abbott.’

    Relatie tussen or en rvc


    Vorig jaar bleek uit onderzoek van Goodijk dat bepaalde strategische bevoegdheden van de ondernemingsraad nauwelijks benut worden, zoals de relatie tussen or en rvc en het gebruik. Die relatie is strategisch van groot belang in de gevallen van Organon en Solvay. Onder andere omdat de rvc het goedkeuringsrecht bij de voorgestelde saneringen heeft en daarbij geacht wordt te oordelen in het belang van de Nederlandse ondernemingen de aandeelhouders maar ook in het belang van de werknemers.

    Rijnlandse stakeholdersbenadering


    ‘Een Angelsaksisch bedrijf heeft vaak moeite met deze Rijnlandse stakeholdersbenadering, maar zal er wel rekening mee moeten houden. Bedrijven als Organon en Solvay hebben derhalve belang bij vormen van bondgenootschap tussen or en rvc. De cases zijn enigszins vergelijkbaar met die van bijvoorbeeld Corus, waar de or en rvc met succes de afstoting van de aluminiumdivisie door de Engelse moeder hebben kunnen voorkomen.’

    Belangen van bedrijf en werknemers


    Het kan volgens Goodijk gebeuren dat de sanering van Organon en Solvay ondanks actie van de or en rvc uiteindelijk toch doorgaat. ‘Maar dan wellicht op een manier die meer rekening houdt met de belangen van het bedrijf en zijn werknemers. Dat is winst voor het bedrijf zelf, de medewerkers, de Nederlandse kennisindustrie en ook het Rijnlandse gedachtegoed.’